's-Hertogenbosch|

Libische vreemdeling blijft ongewenst

De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroep van een Libische man tegen zijn 20-jarige inreisverbod deels gegrond verklaard vanwege de onvolledige beoordeling van de veiligheidssituatie in Libië. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat er niet over hoeft te worden gegaan tot actualisering van een ambtsbericht van de AIVD.

De man verzocht de IND om opheffing van zijn ongewenstverklaring en actualisering van een ambtsbericht van de AIVD uit 2005 waarin de AIVD concludeert dat de Libische man een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De IND heeft dat verzoek in zoverre ingewilligd dat in plaats van de ongewenstverklaring tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van 20 jaar. De IND heeft het verzoek tot overgaan van actualisering van het ambtsbericht niet gehonoreerd. De man ging bij de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. in beroep tegen deze beslissing.

Voorgeschiedenis

De vreemdeling is in 2002 in Nederland gearresteerd omdat hij ervan werd verdacht tot een islamitisch extremistisch netwerk te behoren. De rechtbank Rotterdam heeft hem hiervan in 2003 vrijgesproken.

De AIVD heeft in een ambtsbericht van 9 februari 2005 geconcludeerd dat de Libische vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Op grond hiervan heeft de IND de vreemdeling bij besluit van 4 november 2005 ongewenst verklaard. De vreemdeling heeft hiertegen geprocedeerd, maar het besluit is tot bij de hoogste beroepsrechter in bestuurszaken, de Afdeling bestuursrechtspraakRechtspraak die zich bezighoudt met geschillen over besluiten van een bestuursorgaan. De geschillen kunnen zich zowel tussen particulieren, organisaties en bestuursorganen als tussen bestuursorganen onderling afspelen. Bestuursrecht is de moderne benaming voor wat vroeger administratief recht heette. van de Raad van State, in stand gebleven.

In 2010 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geoordeeld dat het terugsturen van de vreemdeling naar Libië een schending oplevert van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens het Hof was aannemelijk dat de vreemdeling in de negatieve belangstelling was komen te staan van de Libische autoriteiten (het toenmalige regime van Gaddafi) vanwege het strafproces dat in Nederland tegen hem was gevoerd. Bij uitzetting naar Libië zou de vreemdeling een reëel risico lopen op een onmenselijke behandeling of bestraffing.    

De vreemdeling heeft vervolgens om opheffing van de ongewenstverklaring en actualisering van het ambtsbericht van de AIVD verzocht. De IND heeft dit verzoek afgewezen omdat de vreemdeling nog geen tien jaar buiten Nederland had verbleven en omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die de opheffing rechtvaardigen. De rechtbank heeft de IND bij uitspraak van 23 december 2011 in het gelijk gesteld, in zoverre dat gezien het ambtsbericht van de AIVD niet opnieuw onderzocht hoefde te worden of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid. De rechtbank kon de IND volgen in het standpunt dat ook als destijds zou zijn uitgegaan van de onmogelijkheid voor de vreemdeling om terug te keren naar Libië vanwege schending van artikel 3 van het EVRM, de ongewenstverklaring niet achterwege zou zijn gebleven. De rechtbank oordeelde dat het op de weg van de vreemdeling ligt om te onderzoeken in welk ander derde land hij zich kan vestigen. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van StateHoogste adviescollege van de staat dat adviseert over alle wetsontwerpen en algemene maatregelen van bestuur; de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist in hoogste instantie in geschillen over besluiten van overheidsorganen. in haar uitspraak van 17 juni 2013.

De uitspraak van de rechtbank 4 december 2015

Op 19 november 2013 heeft de vreemdeling wederom verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring en actualisering van het ambtsbericht van de AIVD. De IND heeft dat verzoek in zoverre ingewilligd dat in plaats daarvan tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van twintig jaar.

De rechtbank oordeelt in haar uitspraak van 4 december jongsleden dat in rechte vaststaat dat de IND op basis van het ambtsbericht van de AIVD uit 2005 kan aannemen dat de vreemdeling een gevaar is voor de nationale veiligheid. De vreemdeling heeft in deze procedure geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd waardoor alsnog getwijfeld kan worden aan de inhoud of volledigheid van dit ambtsbericht. Het enkele tijdsverloop is onvoldoende voor het oordeel dat de IND niet langer van de juistheid van het ambtsbericht mag uitgaan. De rechtbank wijst verder op het feit dat in de vorige procedure al is geoordeeld dat verweerderIn civiel of bestuursrecht: de tegenpartij van de verzoeker of eiser. niet gehouden was een nieuw ambtsbericht van de AIVD te vragen, omdat de vreemdeling niet ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven en geen sprake was van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de IND in afwijking van zijn beleid verplicht was de AIVD te vragen of het ambtsbericht nog steeds actueel was.

De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling (nog steeds) niet gedurende een termijn van minimaal tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven, terwijl niet is gebleken of voldoende aannemelijk is gemaakt dat de vreemdeling zich niet in een derde land had kunnen vestigen. Verder heeft de vreemdeling geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd – anders dan louter tijdsverloop – op grond waarvan de IND in afwijking van zijn beleid gehouden is de AIVD te vragen of het ambtsbericht nog steeds actueel is.
Vanwege de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn heeft de IND de ongewenstverklaring omgezet naar een inreisverbod. Daarbij kon de IND als uitgangspunt nemen dat een ongewenstverklaring vanwege gevaar voor de nationale veiligheid vergelijkbaar is met een inreisverbod voor de duur van twintig jaar. De beroepsgrond van de vreemdeling dat hem geen inreisverbod, dan wel een inreisverbod van kortere duur had moeten worden opgelegd vanwege artikel 3 van het EVRM slaagt wel. Weliswaar is door het einde van het regime van Gaddafi niet langer aannemelijk te achten dat hij bij terugkeer naar Libië  heeft te vrezen voor de autoriteiten aldaar, maar de IND heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de algemene veiligheidssituatie in dat land niet al reden is om een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM aan te nemen. De rechtbank verklaart het beroepHet opnieuw behandelen van een zaak door een rechter. om die reden gegrond en vernietigt het besluit. De IND wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op het verzoek van de vreemdeling de ongewenstverklaring op te heffen. De vernietiging van het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van twintig jaar betekent namelijk dat de ongewenstverklaring van de vreemdeling is komen te herleven.