Bewijs leveren en verjaring in zaken van misdragingen Nederlandse militairen in voormalig Nederlands-Indië
Bewijs leveren
Het eerste vonnisEen uitspraak in een procedure die begint met een dagvaarding. (ECLI:NL:RBDHA:2019:499) is gewezen in de zaak van de zoon van een verzetsstrijder die in maart 1947 om het leven is gekomen. De zoon en de Staat verschillen van mening over de precieze toedracht van het overlijden van de vader en over wat er daarna is voorgevallen. Duidelijk is alleen dat de vader in een vuurgevecht tussen verzetsstrijders en Nederlandse militairen is geraakt. De zoon moet bewijzen dat zijn vader op de door hem aangeduide manier is gedood. Ook moet hij bewijsEen document of stuk dat een standpunt ondersteunt. leveren van wat volgens hem is voorgevallen na het overlijden van zijn vader. Volgens de zoon is zijn vader onthoofd en is het hoofd van zijn vader tentoongesteld. De Staat betwist dat.
Nader bewijs leveren
De door de zoon geschetste omstandigheden van het overlijden en de gebeurtenissen daarna zijn breed bekend in Indonesië. Dat is onvoldoende voor de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. om dat in rechte als vaststaand te kunnen aannemen. Daar is nader bewijs voor nodig.
Telehoren
Dit bewijs mag worden geleverd door getuigen in Indonesië te horen. Net als in vergelijkbare zaken zal de rechter-commissaris deze getuigen door middel van een videoverbinding horen.
Te lang gewacht
Het tweede vonnis (ECLI:NL:RBDHA:2019:500) is gewezen in de zaken van acht kinderen die de Staat aansprakelijk stellen voor de standrechtelijke executie van hun vaders door Nederlandse militairen in 1947 en 1949. De Staat beroept zich op verjaringDe termijn na afloop waarvan een recht ontstaat of juist verloren gaat of een misdrijf of overtreding niet meer kan worden berecht..
De rechtbank oordeelt dat eisers te lang hebben gewacht met het indienen van de aansprakelijkstelling en de vordering tot schadevergoeding. Deze vorderingen worden afgewezen.