Den Haag|

Uitspraak in strafzaak over onbruikbaar maken beschoeiing

Het gerechtshof Den Haag heeft vandaag twee verdachten in een strafzaak schuldig bevonden aan het onbruikbaar maken van de kort daarvoor in opdracht van een buurman in een sloot geplaatste beschoeiing. Ze hadden deze met een kraan uit de grond getrokken. De buurman had daarvan aangifte gedaan. In eerste aanleg had de rechtbank aan de verdachten een voorwaardelijke geldboete opgelegd. Hiertegen waren de verdachten, een vader en een zoon, in beroep gegaan. Het Haagse gerechtshof heeft geen straf opgelegd.

Aan de zaak ligt een lang slepend conflict ten grondslag, waarbij de verdachten, aangever en het Waterschap Hollandse Delta zijn betrokken. Het conflict gaat over de precieze grenzen van hun naast elkaar gelegen erven. Dit conflict is nog niet beslecht door de rechter die daarover gaat: de civiele rechter. Het Haagse hof kan in deze strafzaak niet vaststellen van wie het stuk grond was waarop de beschoeiing was aangebracht. Het hof is van oordeel dat de beschoeiing zelf toebehoorde aan de buurman en dat de verdachten niet gerechtigd waren deze uit de grond te trekken. Ze hebben zich daarmee schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, waarvoor zij in beginsel straf verdienen.

Het hof verwijt de verdachten dat zij op deze wijze het recht in eigen hand hebben genomen in plaats van een civiele procedure te beginnen, maar heeft aan hen toch geen straf opgelegd. Daarbij heeft het hof onder meer meegewogen dat de verdachten geen relevant strafbladVermelding in het strafregister dat aantekeningen bevat over de keren dat iemand in het verleden verdacht werd van strafbare feiten (met name misdrijven) en over de afloop daarvan (sepot, vrijspraak, veroordeling). hebben en dat zij bij hun arrestatie door de politie onnodig hard zijn aangepakt.

De aangever had in het strafproces nog een vordering tot schadevergoeding ingediend, waartegen de verdachten verweerDe verdediging tegen vorderingen van de eiser of tegen de verzoeken van de verzoeker in een gerechtelijke procedure. hebben gevoerd. Het hof heeft geoordeeld dat de behandeling van deze vordering een te zware belasting oplevert voor deze strafprocedure, zodat de aangever daarin niet-ontvankelijkNiet vatbaar voor berechting. De niet-ontvankelijkheid wordt bepaald door de rechter. Een zaak is niet-ontvankelijk als het niet tot een inhoudelijke behandeling komt omdat er niet is voldaan aan formele vereisten. In het strafrecht kan ook het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zijn als bijvoorbeeld de opsporing en vervolging niet fatsoenlijk zijn verlopen. is verklaard. De aangever kan deze vordering nog bij de civiele rechter aanbrengen.