Den Haag|

Uitspraak in civiele zaak over gratie voor levenslanggestrafte

Het gerechtshof is van oordeel dat de voorzieningenrechter terecht heeft beslist dat de minister een nieuwe beslissing moet nemen op het vierde gratieverzoek van een man die in 1984 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De reden hiervoor is dat de beslissing van de minister niet goed is gemotiveerd.

De minister heeft de weigering om gratie te verlenen gemotiveerd met de overweging dat de grote maatschappelijke verontwaardiging waartoe gratieverlening zal leiden en de omstandigheid dat gratiëring bij de nabestaanden op groot onbegrip zal stuiten aan gratieverlening in de weg staan. Het gerechtshofGerecht dat zaken in hoger beroep behandelt. Nederland kent vier gerechtshoven. acht deze overweging onverenigbaar met de eerdere overweging van de minister dat met (de voortzetting van) de tenuitvoerlegging1. Uitvoering van een arrest of uitspraak, desnoods met behulp van een deurwaarder; 2. In het strafprocesrecht: de omzetting van een voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke straf. van de rechterlijke beslissing geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Vergelding is immers één van de doeleinden van de strafrechtstoepassing.

De beslissing van de minister voldoet ook niet aan het vereiste dat daaruit moet blijken wat de redenen waren om af te wijken van het (in dit geval positieve) gratieadvies van het gerechtRechtsprekende instantie. Bijvoorbeeld: rechtbank, gerechtshof, Centrale Raad van Beroep, College van Beroep voor het bedrijfsleven, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoge Raad. dat destijds de straf heeft opgelegd. Uit het arrest van de Hoge RaadHoogste rechtscollege in Nederland. De Hoge Raad stelt niet meer zelf de feiten vast, maar bekijkt of de lagere rechter bij zijn beslissing het recht goed heeft toegepast. van 6 november 2020 volgt onmiskenbaar dat een van het rechterlijk advies afwijkende weging alleen mogelijk is als zich bijzondere omstandigheden voordoen, zeker indien van het advies wordt afgeweken in voor de veroordeelde ongunstige zin. Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft de minister niet (kenbaar) aan zijn beslissing ten grondslag gelegd. Het betoog van de Staat dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, omdat de minister de belangen anders weegt draait de zaak om en kan dan ook niet worden gevolgd.
Dat de man in het kader van de resocialisatie transmuraal verlof geniet en dus in zoverre ‘op vrije voeten’ is, kan evenmin als een bijzondere omstandigheid worden beschouwd. Het gerechtshof acht het onverenigbaar met het bepaalde in art. 4 lid 4 onder c van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften, als een succesvol resocialisatietraject aan de veroordeelde (die om gratie verzoekt) kan worden tegengeworpen.

Samengevat moet worden geconcludeerd dat de beslissing van de minister op innerlijk tegenstrijdige wijze is gemotiveerd en dat uit die motivering niet blijkt van bijzondere omstandigheden die afwijking van het rechterlijk advies rechtvaardigen.