Gevangenisstraf voor twee uitreispogingen naar Syrië
De verdachteIemand over wie aanwijzingen bestaan dat hij mogelijk een strafbaar feit heeft gepleegd. De wet spreekt over "een redelijk vermoeden van schuld". Een verdachte wordt pas dader genoemd nadat hij is veroordeeld. heeft in het laatste kwartaal van 2013 en in 2014 samen met een medeverdachte plannen gemaakt om uit te reizen naar Syrië en heeft dit ook geprobeerd. Zij wilden zich daar aansluiten bij een jihadistische groepering. Deze plannen zijn op het laatste moment verijdeld, omdat zij bij de grens van Syrië door de Turkse politie zijn aangehouden.
De verdachte is - na terugkeer in Nederland - geschorst uit zijn voorlopige hechtenisVerzamelnaam voor de begrippen bewaring, gevangenhouding en gevangenneming. voor deze uitreispoging om te worden opgenomen in een forensische kliniek. In februari 2016 heeft hij, terwijl hij op verlof uit de kliniek was, opnieuw een poging ondernomen om naar Syrië uit te reizen om zich daar aan te sluiten bij een jihadistische groepering. Ook deze keer is hij door de Turkse politie aangehouden vlak bij de Syrische grens.
De verdachte heeft op geen enkele manier laten zien dat hij op een constructieve wijze wil deelnemen aan de Nederlandse samenleving. Hij heeft aangegeven niet te willen meewerken aan bijzondere voorwaarden. Daarom heeft het hof, anders dan de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt., alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Het hof ziet ook een gevaar voor herhaling van feiten met een terroristisch motief. Vanwege het belang van de beveiliging van de maatschappij heeft het hof daarom een hogere straf opgelegd dan door het openbaar ministerieValt onder het ministerie van Justitie. Geeft leiding aan het opsporingsonderzoek van de politie en vervolgt de verdachten. was geëist.
Het openbaar ministerie en de verdachte hebben 14 dagen de tijd om cassatie tegen deze uitspraak in te stellen bij de Hoge RaadHoogste rechtscollege in Nederland. De Hoge Raad stelt niet meer zelf de feiten vast, maar bekijkt of de lagere rechter bij zijn beslissing het recht goed heeft toegepast. der Nederlanden.