Gevangenisstraf voor doodslag echtgenote in 2007 in Thailand
Zaak
Op 10 oktober 2008 is in een dichtgemetselde beerput het stoffelijk overschot aangetroffen van een vrouw. De beerput bevond zich naast de woning in Thailand waarin het slachtoffer met de Nederlandse verdachteIemand over wie aanwijzingen bestaan dat hij mogelijk een strafbaar feit heeft gepleegd. De wet spreekt over "een redelijk vermoeden van schuld". Een verdachte wordt pas dader genoemd nadat hij is veroordeeld. en haar 3-jarig zoontje woonde. Volgens de Thaise patholoog-anatoom was het slachtoffer tussen de 8 en 12 maanden geleden overleden. Zowel de Thaise patholoog-anatoom als medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) konden geen doodsoorzaak vaststellen.
Eerdere vrijspraak
De rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. sprak de verdachte eerder vrij, omdat zij van oordeel was dat op basis van het dossier niet kon worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk met geweld om het leven heeft gebracht. De verdachte heeft steeds ontkend iets met de dood van het slachtoffer te maken te hebben. Hij heeft altijd verklaard dat het slachtoffer op 8 november 2007 de woning had verlaten en dat zij naar Maleisië was gegaan.
Oordeel hof
Het hof oordeelt nu dat het dossier voldoende bewijsEen document of stuk dat een standpunt ondersteunt. bevat om tot een bewezenverklaring en een veroordeling van de verdachte te komen.
Zo was er in de verslechterende relatie sprake van huiselijk geweld tegen het slachtoffer. Op 8 november 2007 belde het slachtoffer met haar moeder om te vertellen dat zij die dag door de verdachte was aangevallen en naar Maleisië zou komen met haar zoontje. Later die avond belde het slachtoffer nogmaals met haar moeder, nu om te vragen naar de politie te gaan als zij niet binnen een week van haar dochter zou horen. Hierna ontbrak ieder spoor van het slachtoffer. De verdachte is de laatste persoon die haar in leven zag.
De verdachte hield hierna vol tegenover anderen dat het slachtoffer in Maleisië was en dat hij nog mailcontact met haar had. Volgens het hof probeerde de verdachte hiermee aan te tonen dat het slachtoffer nog leefde, terwijl zij toen al overleden was. Daar komt nog bij dat de stoffelijke resten van het slachtoffer aangetroffen werden in de beerput bij de woning waar alleen de verdachte, het slachtoffer en hun zoontje woonden.
Straf
Het hof is van oordeel dat -gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd- een gevangenisstraf van 14 jaar in beginsel passend en geboden is. De afhandeling van deze zaak heeft zowel bij het hof, de rechtbank als het Openbaar MinisterieValt onder het ministerie van Justitie. Geeft leiding aan het opsporingsonderzoek van de politie en vervolgt de verdachten. lang geduurd. Dit heeft geleid tot een lange periode van onzekerheid voor de verdachte. Daarmee houdt het hof rekening bij de strafoplegging. In plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar legt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar en 6 maanden op. Het hof heeft daarnaast de gevangenneming van de verdachte bevolen.