Gerechtshof Den Haag besluit prejudiciële vragen te stellen aan Hof van Justitie van de EU over de 'new dockers clause'
Het gerechtshofGerecht dat zaken in hoger beroep behandelt. Nederland kent vier gerechtshoven. Den Haag heeft vandaag in een zaak tussen een uitzendconcern en verschillende vakbonden over de inzet van havenarbeiders bij het sjorren van containers op kleinere zeeschepen nog geen einduitspraak gedaan. Het Haagse hof heeft besloten om eerst prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De vragen hebben betrekking op een clausule die de sjorwerkzaamheden aan boord van kleinere zeecontainerschepen toedeelt aan havenarbeiders. De vragen gaan over de wijze van weging van de Europese economische vrijheden en sociale rechten in het Unierecht.
Achtergrond van de rechtszaak
Aan boord van grote containerschepen (deep sea vessels) worden de containers gesjord door speciaal daarvoor ingehuurde havenarbeiders (dock workers). Aan boord van kleinere zeeschepen (short sea vessels/feeders) sjort de bemanning de lading van oudsher veelal zelf en krijgt daarvoor doorgaans een aparte beloning, naast het salaris. Bevrachters van die kleinere zeeschepen zien graag dat dit laatste zo blijft, onder meer ter vermijding van lange wachttijden en vertragingen bij terminals, maar ook omdat de bemanning dat sjorren deugdelijk en veilig kan en, niet in de laatste plaats, omdat de aan de bemanning te betalen vergoeding in de regel lager ligt dan de kosten van havenarbeiders.
Door sociale partners – de internationale vakbond ITF en een organisatie voor zee-werkgevers – is echter in het kader van een cao-onderhandelingen een zogenoemde new dockers’ clause overeengekomen. Deze clausule houdt in dat zeevarenden en andere aan boord van een zeeschip aanwezige personen geen sjorwerkzaamheden (cargo handling services) mogen verrichten als hiervoor havenarbeiders beschikbaar zijn die lid zijn van een aan ITF gelieerde vakbond. Als die havenarbeiders er niet zijn, mag de bemanning dit werk wel doen, maar alleen op basis van vrijwilligheid en nadat hierover overeenstemming is bereikt (prior agreement) met de ITF affiliate. De clausule is opgenomen in een internationale raamwerk-cao voor zeevarenden (IBF Framework Agreement) en in de daarop gebaseerde overeenkomsten, waaronder Special Agreements die per (container)schip zijn afgesloten.
Het geschil
De vakbonden (ITF c.s.) eisen naleving van bedoelde clausule door het uitzendconcern dat als uitzendwerkgever scheepsbemanningen ter beschikking1. In het bestuursrecht: Een beslissing van een overheidsorgaan in een concreet geval, bijvoorbeeld het verlenen van een bouwvergunning. 2. In het civiele recht: een rechterlijke uitspraak in een procedure die begint met een verzoekschrift. Een uitspraak in een procedure die begint met een dagvaarding, heet een vonnis. stelt voor de kleinere zee-containerschepen. Het verweer van het uitzendconcern is onder meer dat de clausule strijdig is met het recht van de Europese Unie (hierna: Unierecht), meer in het bijzonder het vrij verkeer van diensten en het mededingingsrecht. Dat vinden ook de Charterers, die gebruikmaken van de diensten van de scheepsbemanning. Zij stellen dat hun belangen worden geschaad als zeevarenden niet meer mogen sjorren, omdat de door hen (van het uitzendconcern) afgenomen en (zelf) aangeboden diensten er minder aantrekkelijk door worden.
Uitspraak rechtbank
De rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2022:5474) oordeelde dat de clausule geldig is. De rechtbank veroordeelde het uitzendconcern tot naleving ervan en tot vergoeding van redelijke kosten die de vakbonden hebben moeten maken om de naleving af te dwingen.
Prejudiciële vragen: uitleg over verdragsregels
In het hoger beroepHet opnieuw behandelen van een zaak door een hogere rechter. volgt niet meteen een eindoordeel. Eerst stelt het Haagse hof enkele prejudiciële vragen van uitleg aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Die vragen zien met name op de wijze van weging van de Europese economische vrijheden (in het bijzonder het vrij verkeer van diensten, dat door de werking van de clausule wordt belemmerd) en sociale rechten (afspraken tussen sociale partners als onderdeel van een cao) in het Unierecht.