Den Haag|

Geen strafrechtelijke vervolging van de Belastingdienst in de Kinderopvangtoeslagenaffaire

Het gerechtshof Den Haag heeft op 13 juli 2022 in een beklagprocedure beslist dat de Belastingdienst niet strafrechtelijk zal worden vervolgd. Het strafrecht biedt daartoe niet de mogelijkheid. Een  aantal klagers in de beklagprocedure had aangifte gedaan van strafbare feiten die gepleegd zouden zijn door de Belastingdienst bij de stopzetting en terugvordering van kinderopvangtoeslagen. Het zou gaan om beroepsmatige discriminatie, knevelarij, dwang door misbruik van gezag en lasterlijke aanklacht.

De officier van justitie  was niet tot vervolging overgegaan, omdat er naar zijn mening geen sprake was van door de Belastingdienst gepleegde strafbare feiten. Hij was bovendien van mening dat de Belastingdienst strafrechtelijke immuniteit geniet en de rechter dus niet toekomt aan een  beoordeling of het gedrag van de Belastingdienst strafbaar is. Tegen de beslissingen van de officier van justitieEen officier van justitie is een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie in de rechtszaal. De officier van justitie is verantwoordelijk voor het opsporen en vervolgen van strafbare feiten. De officier beslist of iemand voor de rechter moet komen en eist een straf als de verdachte schuldig is. om niet te vervolgen, heeft een groot aantal klagers een klaagschrift bij het Haagse hof ingediend. Zij stellen dat er voldoende bewijs is om de Belastingdienst strafrechtelijk te vervolgen voor de in de aangiften genoemde strafbare feiten.

Het hof stelt voorop dat de zogenoemde Toeslagenaffaire veel leed heeft veroorzaakt bij ouders en hun kinderen en dat de impact op hun levens groot is geweest. Door harde regelgeving, strikte wetsuitleg en het ontbreken van de menselijke maat is hun ongekend onrecht aangedaan. Het kabinet, de Tweede KamerOnderdeel van een rechterlijk college, zoals een strafkamer, belastingkamer, vreemdelingenkamer of militaire kamer. Zie ook: Enkelvoudige kamer en Meervoudige kamer., de Nationale ombudsman en de Autoriteit Persoonsgegevens hebben vastgesteld dat de Belastingdienst onbehoorlijk en onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens de verantwoordelijke staatssecretaris is daarbij sprake geweest van “institutioneel racisme”.

Naar het oordeel van het hof kan worden gesproken van een redelijke verdenking dat de Belastingdienst zich (in elk geval gedurende de periode van 4 november 2013 tot 2019, waarin de Fraude Signalering Voorziening werd gebruikt) schuldig heeft gemaakt aan beroepsmatige discriminatie. De Belastingdienst kan hiervoor echter niet worden vervolgd, omdat hem een beroepHet opnieuw behandelen van een zaak door een rechter. op strafrechtelijke immuniteit toekomt.

Voor zover er sprake is geweest van beroepsmatige discriminatie door de Belastingdienst vóór 2016, is strafrechtelijke vervolging wegens verjaringDe termijn na afloop waarvan een recht ontstaat of juist verloren gaat of een misdrijf of overtreding niet meer kan worden berecht. van dat feit ook om die reden niet mogelijk. Met betrekking tot knevelarij, dwang door misbruik van gezag en lasterlijke aanklacht is het hof van oordeel dat er - los van de immuniteitsvraag - onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een succesvolle vervolging.