Eis van omwonenden wegens stankoverlast in twee gevallen toegewezen
Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn er regels ontwikkeld en aangepast om overlast door stank (geurhinder) uit veestallen te beperken. De op dit moment gebruikte meetmethoden gaan uit van (theoretische) percentages ‘geurgehinderden’ (woningen die last hebben van stank). Deze percentages heeft het RIVM van een kwalificatie voorzien, onder meer variërend van ‘slecht’ tot ‘extreem slecht’. Het Haagse hof sluit hierbij aan en oordeelt dat vanaf de situatie ‘extreem slecht’ de Staat zonder meer de verplichting heeft om daar wat aan te doen. De Staat moet binnen zekere grenzen zelf beslissen op welke manier dat gebeurt en wanneer. Het hof stelt bij twee van de eisers vast dat de stank in hun woonsituatie zodanig extreem slecht is dat in hun situatie niet gewacht had mogen worden met het nemen van concrete maatregelen. In hun situatie oordeelt het hof dat de Staat hen niet de (in artikel 8 EVRM vereiste) effectieve bescherming heeft geboden doordat de Staat geen concrete passende maatregelen heeft getroffen. Voor de andere eisers heeft het hof dat niet kunnen vaststellen.
Aangezien een van de twee eisers inmiddels is verhuisd doordat overheidsmaatregelen dit mogelijk hebben gemaakt, heeft de Staat tegenover die persoon in zoverre aan zijn verplichtingen voldaan. Voor mogelijke schadevergoeding verwijst het hof de zaak van beide eisers naar de schadestaatprocedure. Het hof wijst de vorderingen van de overige eisers af, onder meer bij gebrek aan concrete gegevens.