Amsterdam|

Vorderingen Britse burgers over post-Brexit rechten in kort geding afgewezen

Het gerechtshof in Amsterdam heeft in hoger beroep vorderingen van onder meer een aantal Britse burgers tegen de Nederlandse staat en de gemeente Amsterdam afgewezen. De vorderingen zijn te vaag en onbepaald om in kort geding toegewezen te kunnen worden.

Vorderingen tot behoud van rechten als Europese burgers

Onder andere vijf in Nederland wonende Britse burgers hadden in kort gedingProcedure om in een spoedeisende civiele zaak snel een beslissing van de rechtbank te krijgen. Dit is een voorlopige uitspraak. Hierna kunnen de partijen alsnog naar de rechtbank gaan om de zaak voor te leggen (de 'bodemprocedure'). vorderingen ingesteld. Die hadden tot doel het veilig stellen van hun rechten als Europese burgers na de Brexit.

Geen prejudiciële vragen

Het hof is het eens met het door de voorzieningenrechter in de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. Amsterdam gegeven oordeel dat niet kan worden gezegd dat het verlies van het EU-burgerschap zonder meer leidt tot het verloren gaan van de aan het EU-burgerschap ontleende rechten en vrijheden, met name voor wat betreft het recht op vrij verkeer en verblijf.
Het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van JustitieVerzamelnaam voor functies die zich binnen de overheid bezighouden met de handhaving van het recht. van de Europese Unie (HvJEU) is echter niet noodzakelijk om uitspraak te doen in dit geschil. De vorderingen zijn niet toewijsbaar omdat ze te vaag en onbepaald zijn om in dit kort geding toegewezen te kunnen worden.

Brexit-vonnis kortgedingrechter vernietigd

Eerder dit jaar wees de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam een vonnisEen uitspraak in een procedure die begint met een dagvaarding. waaruit bleek dat hij van plan was prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU over de gevolgen van de Brexit voor Britse burgers in Nederland. Dit betrof onder meer de vraag of terugtrekking van het VK uit de EU leidt tot verval van het EU-burgerschap van Britse onderdanen en daarmee tot een verval van de aan dat EU-burgerschap te ontlenen rechten en vrijheden. Dat vonnis is nu dus door het hof vernietigd.