Bevestiging vonnis rechtbank in de zaak Dadel
Het onderzoek Dadel heeft betrekking op het aanzetten van een groot aantal kinderen tot het plegen van seksuele handelingen voor een webcam. De verdachteIemand over wie aanwijzingen bestaan dat hij mogelijk een strafbaar feit heeft gepleegd. De wet spreekt over "een redelijk vermoeden van schuld". Een verdachte wordt pas dader genoemd nadat hij is veroordeeld. M. S. deed zich daarbij op chatsites als minderjarige voor. Dit gebeurde in de periode van september 2005 tot en met maart 2013. De verdachte nam de seksuele handelingen van de kinderen op en bewaarde ze op een harddisk. In enkele gevallen dreigde hij opnames door te sturen aan anderen als het slachtoffer niet opnieuw seksuele handelingen voor de webcam zou verrichten. De verdachte heeft een aantal van de opnames gebruikt in zijn contacten met andere kinderen.
De rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. Amsterdam had de verdachte op 12 februari 2015 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijdDe rechter kan iemand tot een voorwaardelijke straf veroordelen. De straf wordt dan niet uitgevoerd, mits de verdachte zich gedurende een bepaalde periode, de proeftijd, aan een aantal afspraken houdt en niet opnieuw in de fout gaat. Deze voorwaarden zijn door de rechter in zijn vonnis opgelegd. van drie jaar. Als bijzondere voorwaarde werd opgelegd de verplichting zich te laten behandelen bij De Waag.
Het Openbaar MinisterieValt onder het ministerie van Justitie. Geeft leiding aan het opsporingsonderzoek van de politie en vervolgt de verdachten. had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam. Het hoger beroep richtte zich met name tegen de beslissing van de rechtbank tot het niet opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging.
In hoger beroepHet opnieuw behandelen van een zaak door een hogere rechter. is de verdachte nader onderzocht in het Pieter Baan Centrum (PBC). Het PBC kon niet vaststellen dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en/of een ziekelijke stoornis. Andere deskundigen kwamen eerder tot vergelijkbare conclusies. De rechtbank zag mede daarom af van het opleggen van de tbs-maatregel.
Door de uitkomst van het PBC-rapport zag de advocaat-generaal1. Vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (OM) bij een gerechtshof. Zijn taak komt overeen met die van de officier van justitie bij de rechtbank. 2. Bij de Hoge Raad: adviseur van de Hoge Raad. Deze advocaat-generaal werkt niet voor het Openbaar Ministerie. geen basis meer voor het eisen van tbs met dwangverpleging. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting bevestiging van het vonnis van de rechtbank gevorderd. Ook de verdediging was het eens met het vonnis.
Gelet op de inhoud van het in hoger beroepHet opnieuw behandelen van een zaak door een rechter. uitgebrachte Pro Justitia rapport van 8 april 2016, de overige inhoud van het dossier en de standpunten van partijen komt het hof niet tot andere beslissingen dan de rechtbank en verenigt het zich geheel met de inhoud van het vonnis van de rechtbank.